
In het jongste nummer van ons ledenblad Radikaal kon je al een ingekort interview lezen met N-VA-voorzitter Bart De Wever. Hieronder vind je het tweede deel van de lange versie van het interview. Daarin hadden we het met Bart De Wever over enkele van zijn stokpaardjes, zoals het evenwicht tussen ideologie en maatschappijvisie en natuurlijk het communautaire.
De typische CD&V-maatregel of socialistische maatregel bestaat in de praktijk. Wat zou een typische N-VA-maatregel zijn waar u trots op kan zijn? Welk (ideologisch) referentiekader gebruikt men bij N-VA?BDW: “We zijn een Vlaams-nationale partij en zijn vooral bekend om onze standpunten rond autonomie. Maar de vraag is legitiem: ‘Wat wil je met dat Vlaamse doen?’ Welke soort samenleving wil je daarin creëren, wat is uw ideologisch frame? Nationalistische partijen zijn wat dat betreft per definitie wat onzuiver. Je kan niet zeggen dat er één nationalistische ideologie is. Die wordt meestal bepaald door de context waarbinnen de nationalistische beweging actief is. In Schotland is die sociaaldemocratisch omdat ze zich afzetten tegen de Tories, in Baskenland is die van links tot uiterst links omdat die gevormd is onder de dictatuur van Franco, in Vlaanderen heeft die ondertussen al zowat alle gedaanten aangenomen in onze geschiedenis. We zitten met een extreemrechtse partij die dat label claimt en dan heb je de N-VA waarvan je je kan afvragen – en ik kan die vraag perfect begrijpen – wat is jullie ideologisch referentiekader? Dat is een opdracht die ik me persoonlijk aantrek en probeer in te vullen nu. We zijn een partij die onder de noemer ‘conservatief en sociaal’ valt. Niet noodzakelijk ‘Burkiaans’ conservatisme. Ik denk dat er in Burke wel goede elementen zitten. Ik sta niet achter zijn oplossingen – die zijn grotendeels gedateerd – maar deel wel zijn analyse van de samenleving. Daar zit overigens onze verwantschap met CD&V, al zal die partij het woord ‘conservatief’ ook nooit in de mond nemen. Maar eigenlijk zitten we daar niet zo ver van elkaar. Dus de mens niet bekijken vanuit zijn individualisme zoals de liberalen doen, of kijken naar de staat die in de plaats treedt van de mens zoals de socialisten graag doen, maar vanuit de samenleving… "
Het personalisme, dus eigenlijk. “Ik heb ooit gezegd dat ‘het personalisme’ van de CD&V en het ‘communautarisme’ van de N-VA eigenlijk tweelingbroers zijn. Dus dat is de ideologische frame waar wij naar kijken. Dat leidt tot standpunten over vrijheid begrenst door verantwoordelijkheid. Wij vullen dat zelf in als centrumrechtse partij. Het verschil met CD&V is dat wij niet die geschiedenis hebben van verzuiling en daardoor sociaaleconomisch misschien iets liberaler zijn. Iets meer uitgesproken op die vrijheid van ondernemen staan dan CD&V. Maar voor het overige zijn wij een partij die ideologisch en qua maatschappijvisie erg verwant zijn. Dat was ook de cement van het kartel. Het was het enige echte kartel dat ooit bestaan heeft met twee partners van vlees en bloed. Het was geen marketingoperatie of iets virtueel. Het waren twee partijen met een aparte levenskracht. Tijdens de vorige legislatuur zijn er wel eens meningverschillen geweest, maar die waren nooit onoverbrugbaar. Je mag aan Ludwig Caluwé of wie dan ook vragen of hij zich vijf conflicten kan herinneren in de vorige legislatuur met N-VA. Hij zal dat niet kunnen. Dus in een context van een Vlaanderen dat zichzelf bestuurt zijn dat logisch twee partijen die elkaar gaan kunnen vinden.”
Probeert u binnen de partij iedereen op die ‘conservatieve’ lijn te krijgen? Wij hebben soms de indruk dat er bij Jong-N-VA vooral op economisch en ethisch vlak veeleer links wordt gedacht. De enige ‘common ground’ is dan het Vlaam-nationalisme. “Zo’n partij is per definitie onzuiver, heb ik al gezegd. Naast de staatkundige analyse heb je ook de maatschappijvisie die daaraan gekoppeld wordt. Want het ene zonder het andere vind ik steriel. Vlaanderen op zichzelf is geen doel op zich. Het moet een instrument zijn voor een bepaalde samenleving. Maar ik steek niet weg dat er onder die noemer, onder die magneet van het Vlaams-nationalisme, ook veel andere dingen blijven kleven die dat eventueel rond die tros zitten. Zodat er altijd een aura van onzuiverheid is. De vraag is of er in de kern van die magneet een verhaal zit. De Volksunie had dat totaal niet meer. Was dat gewoon kwijt, wist het niet meer. Die partij hing nog aan elkaar via enkele populaire figuren of personen die rond bepaalde thema’s konden werken en het Vlaams-nationale. Dat was veel te dun geworden om nog een partij op te kunnen schragen. Dat stond zelfs los van het beleid. Toen men zich in ’99 in een paars verhaal heeft gestoken, is dat de doodsteek geweest. De Volksunie was al doodziek, maar dat heeft de partij gewoonweg niet overleefd. Omdat toen het maatschappelijke acuut werd. Omdat er toen een paar mensen zijn wakker geworden die zeiden ‘tiens, zitten wij nu in een paarse partij? Behoort het tot onze ‘core business’ om een paarse alliantie aan te gaan?’ Ik dacht het niet. Dat is het einde geweest van de Volksunie. Dat heeft de ziekte die de partij al teisterde, helemaal blootgelegd. Als voorzitter ben ik al die jaren heel zachtjesaan de partij op die centrumrechtse plaats aan het positioneren. En als ik het postelectoraal onderzoek mag geloven dat ik na de vorige verkiezingen heb gezien, dan is dat ook gelukt. Voor de eerste keer in vele jaren zie ik dat onze kiezers ook een duidelijk profiel hebben gekregen en dat wij in dat centrumrechtse kamp zijn gedoken. Ik denk dat ook dit een van de verborgen elementen is, die het toch wel grote succes bij de vorige verkiezingen verklaren. Want daar is ook een enorme ruimte. Partijen die in de federale regering zitten, kunnen dat publiek niet bedienen omdat die in de besluiteloosheid van het federale gevangen zitten. En omdat de cruciale elementen, sociaaleconomisch en migratie, altijd gedoemd zijn om te falen wanneer je moet samenwerken met de Franstalige partijen PS en cdH. Dus die kunnen het niet invullen. En langs de andere kant, in het kamp van extreemrechts, zie je een Lijst Dedecker dat bepaalde beloften niet kan waarmaken en het Vlaams Belang, dat in de problemen is verzeild. Dus voor de eerste keer is daar een opportuniteit om te gaan werven op centrumrechts. En het deed me dan ook veel plezier om bevestigd te zien dat waar ik de laatste vijf jaar toch mijn beste krachten aan heb gewijd. Dat wil zeggen, niet alleen het Vlaams-nationale maar ook een frame van standpunten die toch een zekere samenhang vertonen. Het is een centrumrechts verhaal geworden. Ik denk dat dit succesvol is gebleken en nog kan zijn.”
In het verleden deden jullie nog acties aan de scheepslift in Ronquières om de transfers van Vlaanderen naar Wallonië aan te klagen. Tegenwoordig is het Vlaams-nationale discours veel klinischer geworden en gaat het over efficiënt bestuur in Vlaanderen. Waar is het gevoelsmatige aspect van het Vlaams-nationalisme gebleven? Bestaat dat überhaupt nog? Zijn er nog mensen die vanuit dat gevoel stemmen op N-VA en rekenen jullie daar nog op?
“Dat is een terechte kritiek en ik kan die ook wel plaatsen. In een nationale beweging moet je ook over volksverheffing spreken en niet alleen over het sociaaleconomische. Dat kan ik aanvaarden. Maar wat je hier in ziet is een stuk een transitie vanuit een Vlaamsnationalistische beweging die tot de jaren zestig vooral opkwam voor culturele gelijkberechtiging, wat een gevoelsmatiger verhaal was. Namelijk dat van het gevoel een tweederangsburger te zijn die ernaar streeft een eersterangsburger te worden. Sinds de jaren zestig begint dit verhaal af te lopen - op de strijd in Brussel en rond Brussel na – in de rest van Vlaanderen is eigenlijk die strijd gewonnen. De transitie heeft zich eigenlijk voorgedaan van de ‘blocked mobility’ naar de ‘blocked democracy’ en ‘blocked economy’. De Vlaamse subnatie is het federale niveau geleidelijk aan als iets gaan zien dat haar ontwikkeling in de weg staat. Nu leeft meer het gevoel dat de Vlaamse democratie zich nooit kan doorzetten, dat ze altijd compromis moet zoeken met de Franstalige democratie. En dat beiden uit elkaar aan het groeien zijn en je daardoor economisch schade lijdt. Door die accentverschuiving krijg je meer een ‘centennationalisme’ . Ik begrijp tot op zekere hoogte dat je dat betreurenswaardig vindt en dat we wat moeten opletten met die articulatie.”
Op communautair vlak zit je aan de ene kant met de Maddens-doctrine en aan de andere kant met de oude Van Rompuy-doctrine (pas regeringsdeelname als er een overeenkomst is voor een staatshervorming, nvdr) die tot tweemaal toe schromelijk mislukt is. Wouter Beke pleit nu voor een ‘communautaire gewapende vrede’. Volgens hem moeten beide vorige doctrines worden opgegeven, omdat er aan Franstalige kant weer nood is aan een ‘oui’ bij de publieke opinie. Kan u deze stelling enigszins volgen?
“Neen, niet echt. Je moet die staatshervorming proberen te zien in een historisch kader, namelijk de ontdubbeling van België als natiestaat. Voor de mensen die in 1830 het land hebben gesticht, was België als natiestaat waarschijnlijk perfect en heel modern. Maar ik herbegin… boek van Herman Van Goethem aanbevelen ‘De monarchie en het einde van België’ die daarin perfect beschrijft hoe dat men er niet is in geslaagd om het land dat eigenlijk als een Franstalig land is geconcipieerd tijdig en voldoende aan te passen aan de tweeledigheid ervan en op die manier Vlaanderen zelf als een soort subnatie heeft gecreëerd. Die ontdubbeling komt op een gegeven moment op het punt, na Leuven Vlaams, dat men naar het federalisme moet grijpen om het land nog één te houden. Daar waar tot dan alle federaties meestal de omgekeerde weg volgen: het waren onafhankelijke landen die gingen samen werken. Het federalistische regeren in België is eigenlijk een camouflage van een land dat uit elkaar aan het vallen is. En ik geloof Wouter Beke in die zin niet dat als je dat proces dat vanaf 1970 tot vandaag loopt, onder de loep neemt en dat je ziet dat de Franstaligen er met meer enthousiasme aan begonnen zijn dan de Vlamingen. De Vlamingen kwamen nog wat bedremmeld met culturele eisen kwamen en de Franstaligen met economische eisen, zoals de fiscale autonomie. Vanaf 1970 tot nu zijn er wel een aantal dingen gebeurd : de sociaaleconomische opgang van Vlaanderen, het zelfbewustzijn is toegenomen, de associatie met die Vlaamse regering is versterkt, en dat dat goed kan bestuurd worden ook, aan de Franstalige kant de omgekeerde beweging. Daar is alleen maar verdere achteruitgang gekomen, er is geen krachtig zelfbestuur gekomen, wel een plejade aan regeringen. En ik denk dat het fundamenteler is dan dat. We stellen vast dat we voor de eerste keer sinds 1970 aan de onderhandelingstafel komen waarbij de Vlamingen – aangemoedigd door die historische evolutie – zeggen ‘we willen hiermee nog een heel eind mee vooruitgaan’. De consensus daarover ook almaar groter wordt, we stemmen hier bijna unaniem resoluties waarin we ongeveer elke bevoegdheid opeisen die er nog over is op het federale niveau. Lees die vijf resoluties: dan schiet er van België bijna niks meer over. Terwijl aan Franstalige kant er niks meer wordt gevraagd. Daar zit je op een punt waar ik me afvraag - zoals Leterme het zegt ‘de limieten van het federale overlegmodel zijn bereikt’- of dat je nog met een klassieke staatshervorming voort kunt. En de ‘wishfull thinking’ dat de grote ‘non’ zich omkeert naar een zekere ‘oui’. Dat heb ik de afgelopen drie jaar al tien keer gehoord, maar nooit gezien!”
Ziet u een Franstalige partij het risico nemen om naar de kiezer te stappen met de vraag voor het Vlaams model in Wallonië met meer verantwoordelijkheden en zelfbestuur?
“Neen, omdat er op dit moment electoraal geen draagvlak voor is in Wallonië. Die historische evolutie die werkt natuurlijk ook door op de publieke opinie. Waar in Vlaanderen het draagvlak voor meer autonomie – geen onafhankelijkheid- altijd maar versterkt, meer autonomie wordt geassocieerd met beter bestuur. Dat is verworven. Maar in Wallonië is het tegendeel verworven. De paniek die er bijvoorbeeld na de ‘Bye Bye Belgium’-reportage is ontstaan, dan zie je dat men de grens van de ratio al voorbij is. Dat is pure verlatingsangst! Een Waalse partij die nu zou opkomen met een autonomiediscours, die wordt electoraal vernietigd. Ik denk dat daar nu geen enkele context voor is.”
Waar moeten de Franstalige partijen dan bij een onderhandelde staatshervorming als resultaat mee naar hun kiezers stappen? “Ik weiger aan te nemen dat zelfbestuur alleen gunstig is voor Vlaanderen, en dat wij er bv. voor zouden moeten betalen om het arbeidsmarktbeleid in eigen handen te krijgen, terwijl je weet dat het instrument zeer acuut nodig is in Wallonië zelf. Als zij daarvoor de garantie van solidariteit vragen kunnen zij die krijgen, zelfs in een post-Belgische context. Maar het vergt een zekere durf om die omslag te maken en die heb ik bij de Franstalige politici tot nu toe nog niet gezien. Ik stel vast dat Wouter Beke die wel ziet. Dat hij mij dan eens heel duidelijk zegt waarop hij die hoopvolle signalen baseert, want ik begin daar dus schrik voor te krijgen. Als je niet meer kan hervormen en evolueren dan moet je oppassen dat je niet naar een soort revolutionaire toestand gaat. En daar is uiteraard de Maddens-doctrine een antwoord op. Maar Maddens schrijft zelf in zijn boek dat zijn strategie eigenlijk maar de tweede keuze is, en dat het beste wat de Vlamingen nu kunnen toepassen de Van Rompuy-doctrine is. Maar dan moet je wel volhouden. De enige manier is de shocktherapie. Dat we zeggen ‘wij willen eigenlijk niet meer verder vooraleer jullie bereid zijn om te spreken over een grondige hervorming van het land.’”
Is de Maddens-doctrine zelf dan ook niet gevaarlijk, omdat we onszelf op die manier meer op kosten gaan jagen binnen nu en enkele decennia? “Ik geloof dat eigenlijk niet. De splitsing van de sociale zekerheid bijvoorbeeld is voor mij niet alleen een kwestie van centen. Het is een kwestie van efficiëntie, van aangemoedigd worden om het juiste beleid te volgen. Transfers binnen bijvoorbeeld een Europese context, daar heb ik geen enkele moeite mee. Op voorwaarde dat je incentives invoert om goed beleid aan te moedigen. Moest het zo zijn dat Vlaanderen omwille van de vergrijzing zo’n hoge pensioenkosten heeft dat we geen transfers meer moeten betalen, dan nog zou ik pleiten voor die splitsing.”
Waarom komt u zelf niet met constructieve compromisvoorstellen?
“Hebben we dat dan niet gedaan misschien? Ik denk dat wij in de zomer van 2007 het een na het andere hebben geprobeerd. Ik heb tijdens de onderhandelingen nooit het N-VA programma op tafel gelegd. De afspraak binnen het kartel was heel duidelijk. We gingen over de uitvoering van het CD&V-programma spreken, niet van de N-VA. Op een gegeven moment hebben wij 100 voorstellen op tafel gelegd, allemaal concrete dingen die rekening hielden met de taboes die zij hadden gesteld. En dit op basis van de vijf resoluties. Als ze dit hadden aanvaard, zouden we een zesde staatshervorming hebben gekregen. Dat was dan eigenlijk nog niet voldoende, maar op die manier was het weer een stap in de goede richting geweest. Die lijst met voorstellen stond in de zomer van 2007 de volgende dag in Le Soir met een ondertoon dat het quasi seperatisme was, terwijl wij vonden dat we daar juist heel erg voorzichtig in waren geweest. Daar en toen, op 16 augustus 2007, voelde ik al aan dat de onderhandelingen de facto waren mislukt. Al wat daarna is gekomen, was therapeutische hardnekkigheid. Je weet dat achteraf, op het moment zelf hoop je altijd nog. Dus zeg niet dat wij niet compromisbereid zijn, dat zijn we wel. Ik weet ook wel dat wij voor een stuk afhankelijk zijn van de evolutie van Europa. Moest de euro niet bestaan, dan zou ik twee keer nadenken over de onafhankelijkheid van Vlaanderen. Om de monetaire eenheid op te breken, dat lijkt me geen verhaal dat je economisch met veel enthousiasme moet bejegenen. De schaalvergroting van Europa, werkt de schaalverkleining niet in de hand. Dat zijn complementaire bewegingen. Ik zal bijvoorbeeld nooit pleiten voor een Vlaams leger, maar ik mag wel hopen dat er ooit zo’n Europees leger komt. Het zal niet voor morgen of overmorgen gaan, maar misschien kunnen we Europees wel het voortouw nemen en naar een Benelux-leger gaan. Een van de grootste problemen die ik heb met België, is dat het enorme heterogeniteitskosten oplevert, omdat het een totaal gespleten land is. Er is geen enkele federatie zonder federale democratie. Alleen niet in België, het is totaal gespleten. Elk probleem is dus een communautair probleem, het vermindert uw inefficiëntie. Je komt nooit met een beleid dat je hebt beloofd aan je kiezer, maar met een flauw afkooksel ervan. De ‘permante diplomatieke conferentie’ zoals Karel De Gucht dat heeft genoemd. Als die enorme kosten nu nog zouden worden gecompenseerd door de schaalgrootte, dan had je nog een zeker evenwicht. Maar die schaalgrootte is er niet in België: het land is maar een zakdoek groot. Dus die schaalgrootte ga je in Europa moeten zoeken. Ik mag hopen dat we die beweging kunnen doorzetten en eventueel met een kleine groep landen toch door te gaan op de gebieden waar Europa momenteel in panne ligt. Bijvoorbeeld op vlak van defensie.”
Het Europa van de regio’s lijkt ons onomkeerbaar. Bepaalde Duitse deelstaten werken zo bijvoorbeeld al langer samen op Europees niveau. Gelooft u daarin? “Neen, het ‘Europa van de regio’s’ behoort niet tot mijn taalgebruik. Ik geloof wel in ‘multi level governance’, dat is de toekomst. Dat er zich onder het grote Europese dak volgens de regel van de subsidiariteit kleinere gehelen vormen. De groei van metropolen is volgens mij een zwaar onderschat fenomeen. Daar zal je als beleid zwaar op moeten inspelen. We zullen moeten stoppen met in negentiende-eeuwse termen te denken. Dat is iets wat vaak gebeurd. Wij worden ervan beschuldigd, maar een van de opdrachten die ik mij heb gesteld is nadenken over de modernisering van het institutionele, over het bestuur en over staten. Dus zal je in onze teksten hopelijk een heel moderne visie vinden op de toekomst, op ‘multi level governance’ en de rol die Vlaanderen daarin kan spelen binnen Europa. En sommige lagen kunnen dan dikker of dunner zijn. Met dat soort dynamische modellen moet je voorop durven stellen. Maar in de realiteit word je dan geconfronteerd met mensen die nog over de grenzen van Brussel beginnen. Die zeggen dat hun probleem opgelost is als ze er morgen Drogenbos en Wemmel kunnen bijkrijgen. Of ze moeten een corridor hebben naar Brussel. En dat zijn dan mensen die zeggen dat ik in het verleden leef. Die spreken mij toe in termen die ik in de negentiende eeuw zou verwachten of in Oost-Europa… Dan denk ik soms, jongens toch waar zijn we mee bezig!”
Kunt u zich voorstellen dat er straks na de onderhandelingen rond de staatshervorming nog maar een dun laagje België overblijft en dat uw electoraat u vraagt om een rechts-conservatieve koers te gaan varen en u minder met die puur Vlaamse kwesties bezig te houden? “Tja, je zit met Brussel hé. Een Tsjechoslowaakse ratio is voor ons niet denkbaar omwille van Brussel, want Praag is Brussel niet. Als België nog ergens leeft dan zit dat in de oplossing voor Brussel, om daar een goed bestuur te hebben. Als de Belgische identiteit zich ergens heeft voortgezet dan is het in Brussel. Bovendien is het nu een internationale stad, Brussel heeft geen plaats meer in Vlaanderen en Wallonië. Een oplossing zit volgens mij in een grotere autonomie van Brussel die gefocust is op het besturen van de stad en zich absoluut niet meer spiegelt aan de gewesten, zodat absurde dossiers zoals de geluidsnormen bijvoorbeeld onmogelijk worden. En dat er op dat niveau ook goede overeenkomsten worden gesloten met het Brabantse ommeland. Maar dat aan de andere kant dat de voogdijoverheid over Brussel dat dit een condominium (een staat van gedeelde soevereiniteit, nvdr) zou zijn van Vlaanderen en Wallonië."
Welke nationaliteit zouden de Brusselaars dan krijgen? Of zouden ze die zelf kunnen kiezen bijvoorbeeld? “Dat is een zeer goede vraag, maar daarvoor zullen ook oplossingen sui generis voor moeten verzonnen worden. Er zullen sowieso heel wat burgerrechten worden gekoppeld aan Europa. Nu al zijn de grenzen heel relatief geworden. Dus wat er op uw identiteitskaart staat, wordt dat ook. Dus daar zijn wel oplossingen voor te verzinnen, maar men moet bereid zijn om een déclic te maken naar een andere manier van denken over identiteit, over burgerschap en over overheid. Pas op, dat is ook een boodschap naar sommige mensen in eigen rangen. Als ik zie hoe Frans Crols op de Ijzerwake het presteert om op te roepen van Brussel op te geven als prijs voor onze autonomie. Hoe kan je zoiets uitkramen? Er is dus niet alleen nog veel werk aan Franstalige kant, maar ook in onze eigen winkel.“
Tot slot, vindt u dat wij onze cultuur als ‘leidende’ cultuur moeten uitdragen naar migranten? Kunnen we hen bijvoorbeeld opleggen dat ze zich naast de wetten en de taal, ook nog bepaalde normen en waarden van de gastcultuur eigen maken? “Ik denk dat de uitdaging moet zijn om rond onze identiteit een positief verhaal op te bouwen. Een soort burgerschap dat kan verworven worden door buitenstaanders, maar dat wel van die aard is dat iedereen die dat het heeft, wordt erkend en herkend als een speler van zijn ploeg. Dat iedereen die op het veld staat, dezelfde sport aan het spelen is en dezelfde basisregels volgt. Dat is een heel grote uitdaging, want we komen uit een verleden dat wij verleerd zijn van te zeggen wie wij zijn. We doen dat niet graag, we vinden dat onnozel of achterlijk en getuigen van een kerktorenmentaliteit. We zouden graag wereldburger willen zijn en dat voelt eigenlijk goed. Maar dat we Vlaming zijn en dat dit iets betekent, zijn we verleerd. Laat staan dat je over sociale normen gaat beginnen spreken. Maar dan krijg je dus nieuwkomers over de vloer die wel uitgesproken sociale normen hebben en die dat als een belangrijke bron van hun culturele identiteit zien. Maar die normen komen op een bepaald moment niet meer overheen met waar wij als samenleving collectief naar toe evolueren, die op sommige domeinen voor ons veeleer verwijzen naar wat als het verleden zien dan naar de toekomst. En zij provoceren ons doordat wij terug moeten leren zeggen wie we zijn. Maar we komen uit een periode dat de goegemeente heeft beslist om zeker niet identiteit voorop te stellen en zich te wentelen in ‘cultuurrelativisme’. ‘Als we maar genoeg pamperen en aan de economische mobiliteit werken, komt alles vanzelf goed’, was de redenering. Dat is natuurlijk niet uitgekomen. Aan de andere kant van de markt heb je natuurlijk zij die zich op die problemen zijn gaan enten en het identiteitsverhaal negatief – op basis van uitsluiting - zijn gaan interpreteren. Die hun identiteit als een soort van gesloten tempel zijn gaan beklemtonen. Zodat het heel duidelijk is wie daar kan inzitten, wie daar van kan genieten en wie daar moet uit wegblijven. En dat is de context van de laatste 20 jaar. Ik zie nu bijvoorbeeld wel in Frankrijk met Sarkozy eindelijk een soort kentering. Waar men de intellectuele ruimte aan het vinden is om daar nu eens op een andere manier over na te denken. Ik vind dat wanneer je identiteit afzweert omdat er racisme bestaat, dat dit net is alsof je seks afzweert omdat er zoiets als pornografie bestaat. Daar kom je dus mee in de problemen. De pornograaf is daar heel tevreden mee. Die wordt stinkend rijk want hij levert dan een product waar iedereen behoefte aan heeft. Identiteit was de warme deken voor mensen die in steden hun wijken zagen veranderen en die daar niet direct het positieve van inzagen. Die daar niet meteen een grote verrijking in zagen, maar integendeel een verarming. Die een vervreemding zagen en die ook losgelaten waren. Die ook geen enkel netwerk hadden of referentiekader van sociale normen om die verandering te duiden. Ik stel nu vast dat er gelukkig ruimte is om er op een andere manier over na te denken. Onze bijdrage daarin is om identiteit op een civiele, maar ook op een culturele manier te gaan invullen. Ik denk dat mensen zich moeten kunnen lanceren in hun samenleving. Dus het civiele volstaat niet, daar zal je ook bepaalde culturele normen aan moeten toevoegen. Alleen moet je oppassen om geen culturle criteria voorop te stellen die niet kunnen verworven worden. Bijvoorbeeld door te stellen dat de Vlaming blank en katholiek is. Ten eerste denk ik dat dit niet waar is. En ten tweede doe je deur zo compleet dicht. Maar wat je bijvoorbeeld wel mag vragen – dat zit trouwens ook in het inburgeringsbeleid – is dat je de taal verwerft. Dat is ook een cultureel element. We leven in een land met een snelbelgwet waarin dit niet eens werd vooropgesteld. De nationaliteit en het burgerschap werd eigenlijk te grabbel gegooid. Dan krijg je een context waarin mensen zien dat iedereen die hier aankomt heeft mensenrechten. En mensenrechten betekent meteen ook burgerrechten. En zonder bij te dragen tot het systeem maak je er reeds deel van uit. Naast taal als culturele vereiste moet je je beperken tot een aantal basiswaarden die onze samenleving schragen zoals solidariteit, vrijheid, respect, pluralisme en gelijkwaardigheid. Die waarden liggen inderdaad voor een stuk vast in wetten, maar die zich vooral moet vastleggen in een mentaliteit. Men moet het niet eens zijn met die wetgeving, zoals bijvoorbeeld het toestaan van het homohuwelijk. Maar men moet wel beseffen dat die wetten zijn gebaseerd op die sokkels waarop onze samenleving is gebouwd.”
Wim Soons
Christophe Vermeulen